Plantage Willem III


Eemland


Met behulp van de Fysisch geografische eenheden kaart kunnen we het ontstaan van Eemland en haar omgeving beter begrijpen. Eemland maakt deel uit van het glaciale bekken dat in de voorlaatste ijstijd (Saalien 150.000 jaar gleden) is uitgeschuurd door gletsjertongen van het landijs. Die stuwden aan weerszijden van het bekken stuwwallen op. De afzettingen die daarna in de tussenijstijd, het Eemien, gevormd zijn, staan niet op het kaartje omdat ze niet meer aan het oppervlak liggen. In de laatst ijstijd (Weichselien) is een dik pakket zand als een deken over het bestaande landschap neergelegd. Langs de stuwwallen staan de gordeldekzanden en wat verder weg ook dekzandvlaktes aangegeven. Plaatselijk komen ook dekzandruggen voor. In de laatste 10.000 jaar, gedurende het Holoceen, vindt er in Eemland op grote schaal veengroei plaats. Tussen de veeneilanden door worstelt zich de Eem een weg naar het noorden. Langs de Eem zijn vanuit de voormalige Zuiderzee jonge zeekleigonden afgezet. Bij het doorbreken van de dijken van de Zuiderzee zijn tijdens overstromingen herhaaldelijk kleilaagjes op het veen afgezet. De gevolgen van de overstromingen zijn op het kaartje als overslaggronden herkenbaar.

> Lees meer

Plantage Willem III






Tussen Amerongen en Rhenen vormt de Utrechtse Heuvelrug de noordelijke begrenzing van de rivier de Rijn. De laaggelegen uiterwaarden grenzen via een enkele meters hoge steilrand aan de zandgronden. Op bovenstaande foto is van linksonder naar rechtsboven de overgang tussen verschillende landschapstypen herkenbaar. Langs de rijn liggen de uiterwaarden met kleiputten en een steenfabriek. Na de steilrand volgt eerst de weg met aangrenzende bebouwing en vervolgens een niet beboste zone. Deze bestaat uit smeltwaterafzettingen van het landijs. Vervolgens klimmen we verder tegen de zwaarbeboste stuwwal op, om uiteindelijk weer af te dalen naar de Gelderse Vallei, waarin op de achtergrond Veenendaal zichtbaar is.






Hier kijken we dwars over de Utrechtse Heuvelrug ter plaatse van de voormalige tabaksplantage Willem III. Onder op de foto zijn de groene uiterwaarden te zien. Op de geelgekleurde plantage Willem III getuigen singels nog van voormalige structuren, maar een tiental tabaksschuren is de laatste eeuw wel verdwenen. Helemaal links aan de onderkant van de beboste stuwwal is een kleine verbuiging in de bosrand te zien. Daar ligt het sneeuwsmeltwaterdal dat we straks van dichtbij zullen zien.






De stuwwal is in de voorlaatste ijstijd, zo’n 150.000 jaar geleden, gevormd door landijs dat vanuit Scandinavië naar Nederland kwam. Vanuit het landijsfront drongen ijstongen bestaande terreindepressies in. Het meer als 100 meter dikke ijspakket brak daarbij de bevroren bovengrond tot schubben en perste dieper gelegen plastische kleilagen weg naar de zijkanten. Bovendien duwde de traag stromende ijsrivier als een bulldozer alles wat op zijn weg kwam voor zich uit. Als we binnenin de stuwwal kunnen kijken, bv in een groeve, dan kunnen we zien dat de oorspronkelijk min of meer horizontale rivierafzettingen vervormd en scheefgesteld zijn. (locatie foto: Dikkenberg)






Omdat de gestuwde afzettingen voormalige rivierafzettingen zijn kunnen we plaatselijk ook dikke kleilagen of grindrijke afzettingen aantreffen. (locatie foto: Zanderij Maarn)






Ook binnen de voorlaatste ijstijd ( Riss of Saaliën) kwamen er perioden voor waarin een gedeelte van het ijs afsmolt en uiteindelijk smolt het landijs natuurlijk geheel weg. Door het wegstromende smeltwater werd materiaal uit het landijs, maar ook ter plaatse opgenomen materiaal, meegenomen en in de nabijheid afgezet. Dergelijke ‘fluvioglaciale’ afzettingen liggen aan de ijsvrije zijde van de stuwwal in de vorm van brede waaiervormige glooiingen tussen Amerongen en Rhenen. Ook de ondergrond van de plantage Willem III bestaat uit deze smeltwaterafzettingen van het landijs. (locatie foto: zanderij Maarn)






Het is nu hoog tijd om niet uit de lucht of onder de grond, maar in het terrein naar de vormen aan het oppervlak te kijken. De rentmeester van het Utrecht Landschap wijst hier met zijn paraplu reeds de weg naar de terreindepressie in de bosrand die we eerder op de luchtfoto zagen.






Bij de bosrand aangekomen is van dichtbij goed te zien dat we hier te maken hebben met een dal van enkele meters diepte. Er stroomt geen water over de dalbodem.






Gedeputeerde Robbertsen van de provincie Utrecht lijkt hier uit te leggen hoe het dal ontstaan is. In de laatste ijstijd (Wurm, Weichseliën) drong er geen landijs tot in Nederland door. Het was echter wel koud en de bovengrond was dan ook veelal bevroren. Smeltwater van de sneeuw kon dan niet in de ondergrond infiltreren. De bevroren bovengrond werd, net zoals bij een vast gesteente in een gebergte, geërodeerd door het afstromende water, waardoor een dalvorm ontstond. Omdat onder de huidige klimaatsomstandigheden de neerslag gewoon in de bodem wegzakt is het, zonder kennis van het bovenstaande, best moeilijk te begrijpen waarom hier nu nog zo’n dalvorm ligt.






Sneeuwsmeltwaterdalen zijn overigens niet zeldzaam. Er liggen talrijke dalen uit de laatste ijstijd op de Utrechtse Heuvelrug. Door de dichte bebossing ontbreekt echter het overzicht en is het heel moeilijk om samenhang in de natuurlijke hoogteverschillen te ontdekken. Even een voorbeeld: het dal op bovenstaande foto is even diep als op de plantage, maar het is hier volstrekt onmogelijk om het landschap te lezen en te begrijpen.






Naast de natuurlijke hoogteverschillen treffen we hier op de flank van de stuwwal, in de directe omgeving van het dal, ook kunstmatige hoogteverschillen aan. Soms lijkt het bijvoorbeeld of we met stuifduintjes te maken hebben, maar dan blijkt het uiteindelijk om grafheuvels te gaan. De tekst op de plaquette leert het volgende: ‘In de late bronstijd verdween het bos en begon de heide zich sterk uit te breiden. De grafheuvels werden doelbewust op hogere punten in het terrein opgeworpen waardoor een wijds uitzicht op de omgeving ontstond. De nederzettingen lagen er vermoedelijk in de buurt op kruispunten van wegen.’






De wijdse uitzichten hebben we weer teruggekregen. De natuurlijke reliëfverschillen in de vorm van waaiervormige glooiingen van de ijssmeltwaterafzettingen komen prachtig tot uiting in dit onbeboste gebied. Plaatselijk kunnen we dan bovendien nog genieten van lokale sneeuwsmeltwaterdalen. Ook een ontmoeting met een van de grazers behoort tot de mogelijkheden.






Het dankzij het open karakter van het gebied kunnen herkennen en genieten van de natuurlijke hoogteverschillen heeft ook zijn prijs. Het is gedeeltelijk ten koste van een specifiek stukje van het cultureel erfgoed in de deze omgeving gegaan. Het karakter van de tabaksplantage is grotendeels verdwenen. Wel heeft het Utrechts Landschap intussen de resterende gammele tabaksschuur gerestaureerd.






Omdat hier op de plantage Willem III, mede dankzij het open terrein, een prachtig sneeuwsmeltwaterdal uit de laatste ijstijd te bezichtigen is, heeft het provinciaal bestuur het smeltwaterdal en haar directe omgeving in 2000 tot Aardkundig Monument benoemd. De Stichting het Utrechts Landschap is hiermee de trotse bezitter van 3 aardkundige monumenten geworden, namelijk:

de zuidflank van de Grebbeberg (overgang stuwwal naar rivierengebied);
twee voormalige rivierbeddingen (Niënhof en Oostbroek);
sneeuwsmeltwaterdal op de Plantage Willem III.

Verantwoording:
Luchtfoto’s: Henk Bol
Grondfoto’s: Wim Hoogendoorn


Niënhof en Oostbroek


Rivieren stromen uit gebergten naar zee. Het rivierwater transporteert daarbij grind, zand en klei. Als het water snel stroomt rollen stenen en grind over de rivierbedding. Als het water langzamer gaat stromen stopt het transport van deze grote en zware last, maar zand en klei wordt nog wel meegevoerd. Van de bergen naar de zee zie je dan ook de gemiddelde korrelgrootte afnemen. Een zelfde mechanisme treedt op bij overstromingen. Loodrecht op de rivier zien we in de bedding grind liggen en direct naast de normale bedding wordt een oever van zandig materiaal gevormd. Veel verder van de rivier, waar het water bijna stil komt te staan bezinken pas de fijnste deeltjes die in het water zweven, de kleideeltjes. Op de foto die langs de Lek genomen is, komt de zandige en hoger gelegen oeverwal duidelijk tot uiting.

Ten zuidoosten van de stad Utrecht ligt het Kromme Rijngebied. Dat is een rivierkleigebied waarvan de afzettingen uitwiggen over de dekzandondergrond op de flank van de stuwwal. De naam Kromme Rijngebied doet vermoeden dat dit gebied bestaat uit afzettingen van het riviertje de Kromme Rijn. De Kromme Rijn was omstreeks het begin van de jaartelling weliswaar een machtige Rijntak, maar dat is toch teveel eer. De afzettingen ten zuiden van de Kromme Rijn zijn voor het merendeel afgezet door eerdere Rijnsystemen, namelijk het Houtense en het Werkhovense systeem. Het pittoreske riviertje dat de huidige Kromme Rijn nu is, vormt dus slechts een mager restant van een eertijds machtige indrukwekkende loop van de Rijn.

> Lees meer