www.aardkundigemonumenten.nl --> Wat zijn aardkundige monumenten


Oisterwijkse Vennen dl 2


In de voorgaande afbeelding loopt de Rosep in het midden door een laagte naar het noorden. Links liggen de Oisterwijkse Vennen en rechts de Kampina.
We kijken onder naar een uitsnede. De getallen geven een paar fotopunten aan.
Op de brede en lange dekzandrug blijken met dezelfde orientatie smallere ruggen voor te komen met daar tussenin uitgestoven laagten. De laagten worden veelal omgrensd door lage ruggetjes, maar in het verlengde van de laagten, met andere woorden aan de oostzijde, liggen de hogere verstoven stuifzandduinen. De ruggen en ruggetjes zijn veelal in de laatste periode van de laatste ijstijd (Weichselien) gevormd. De duintjes zijn, gezien het regelmatig ontbreken van dikkere podsolprofielen, over het algemeen van recentere ouderdom.

> Lees meer

Wat zijn aardkundige monumenten

Aardkundige Monumenten zijn zeer markante voorbeelden van aardkundige waarden die door een benoeming tot Aardkundig Monument een bepaalde officiële status verkregen hebben. In de provincie Utrecht, waar de Aardkundige Monumenten zijn uitgevonden, benoemt Gedeputeerde Staten, in overleg met de eigenaren van de grond, de Aardkundige Monumenten. Wat zijn dan wel die aardkundige waarden? Aardkundige waarden zijn die onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied. Sommigen spreken liever over de niet-levende natuur of de abiotische gesteldheid en anderen geven de voorkeur aan de term ‘aardkundig erfgoed’. Die begrippen worden regelmatig door elkaar gebruikt. Bij aardkundige waarden gaat het om de eigen waarde die men aan een aardkundig verschijnsel mag toekennen. Het kan dan gaan om een object of een patroon, bestaande uit een combinatie van objecten. Het kan zelfs gaan over een aardkundig proces. In dat geval zijn de termen aardkundige waarden of aardkundig erfgoed op zijn plaats. Enige voorbeelden kunnen deze begrippen verduidelijken.


Afbeelding 1

Afbeelding 1 toont een besneeuwd landschap. Die sneeuw verdoezeld allerlei details, waardoor de aandacht valt op een brede, kronkelige sloot. Deze sloot is een voormalige rivierbedding die in de achtergrond uitmondt in de huidige Kromme Rijn. Deze bedding is een aardkundig object. Het kan ook gaan om een heel complex van verschillende beddingen met begeleidende oeverwallen. In dat geval gaat het om een patroon.



Afbeelding 2

Een patroon komt ook voor in een stuifzandgebied, waar de objecten stuifduinen en uitgeblazen laagten gezamenlijk een aardkundig patroon vormen (afb 2). Zo’n stuifzandgebied is tevens een sprekend voorbeeld voor aardkundige processen. De wind breekt hier vormen af en bouwt ze elders in hetzelfde stuifzandgebied of langs de rand ervan weer op. In deze voorbeelden gaat het erom dat deze aardkundige producten of processen zelf van belang zijn en daarom een waarde hebben. De mens kan daarbij een rol gespeeld hebben. Hij kan bijvoorbeeld zo’n oude rivierbedding kunstmatig afgesneden hebben om hinderlijke bochten voor de scheepvaart te verwijderen of om het water sneller te laten wegstromen uit een gebied. Het is in dit geval geen probleem om dan toch over aardkundige waarden te spreken. In Nederland is alles in de loop der tijd wel eens op de schop geweest. Als echter door afgraving de wezenlijke kenmerken van een object aangetast zijn dan zal de overgebleven waarde veelal gering zijn. De mens speelde ook vaak onbedoeld een belangrijke rol bij het op gang brengen van aardkundige processen. Dijkdoorbraken en de aardkundige objecten of patronen die daaruit volgen kunnen slechts ontstaan nadat de mens eerst de rivier bedijkt heeft. Zandverstuivingen zijn ook in de meeste gevallen een product van het handelen van de mens. Ooit vernielde hij door plaggen steken en overbeweiding met schapen de beschermende begroeiing en gaf daardoor de wind volop de kans. Tegenwoordig is het vaak een positieve keus om door middel van natuurontwikkeling weer wat diversiteit aan de zandlandschappen toe te voegen (afb 3).



Afbeelding 3

Zo’n stuifzandgebied is daarmee ook een voorbeeld dat de vegetatie of begroeiing, spontaan of na aanleg door de mens, een belangrijke rol kan spelen bij aardkundige processen. Zo is bijvoorbeeld het gevecht tussen het stuivende zand en de pioniersvegetatie (afb 4) uitermate boeiend en geen bedreiging voor de aardkundige waarden. Bij de termen niet-levende natuur of abiotische gesteldheid gaat het ook over de betekenis die aardkundige factoren hebben voor andere takken van onderzoek. Gegevens als hoog en laag, zuur of basisch, nat of droog, voedselrijk of voedselarm zijn factoren uit de niet-levende natuur.



Afbeelding 4

Die gegevens worden veelal toegepast om verspreiding van soorten in andere wetenschappen te kunnen verklaren en voorspellen. Iedereen weet uit ervaring, zonder dat men al die verschillende soorten kent, dat op hoog en droog gelegen voedselarme zandgronden een andere natuurlijke vegetatie aanwezig is als in laaggelegen, natte voedselrijke rivierkleigronden. Kennis over deze aardkundige factoren is dan ook belangrijk om de standplaatsen van soorten of vegetaties te kunnen verklaren. Sterker nog, deze gegevens kunnen ook gebruikt worden om plaatsen te zoeken of te creëren waar door middel van natuurontwikkelingsprojecten nieuwe gewenste natuur ontwikkeld kan worden. Als men bijvoorbeeld een nieuw stuifzandgebied wil ontwikkelen dan ligt het voor de hand daarbij uit te gaan van een gebied, waar vroeger al zand gestoven heeft.(afb 5). Het is zorgwekkend als bij die locatiekeuze alleen naar de aardkundige factoren en niet naar de aardkundige waarden gekeken wordt.



Afbeelding 5

Het is bijvoorbeeld relatief eenvoudig om in een droog gebied een gat te graven waardoor meer water, soms ook met andere eigenschappen, beschikbaar komt voor de begroeiing. Het aantal verschillende plantensoorten zal in deze omgeving door deze actie ongetwijfeld toenemen. Intussen kunnen echter de aardkundig waarden ter plaatse vernield zijn en ecologisch gezien zal de toename van de diversiteit veelal geen echte verrijking betekenen. Een andere toepassing van aardkundige factoren vindt men in de archeologie. De aanwezigheid van dikke cultuurdekken op de zandgronden verraadt de voormalige akkergronden (engen). In het rivierkleigebied geeft de ligging van voormalige oeverwallen de meest kansrijke locaties aan, waar in het verleden onze voorouders mogelijk gewoond hebben. Samenvattend komt het er op neer dat de aardkundige factoren met name betekenis hebben voor andere vakgebieden.


De korte- en lange duinen


In het oosten van de provincie Utrecht bestaat de bodem voornamelijk uit zandige afzettingen. De kern vormt de enige tientallen meters hoge Utrechtse Heuvelrug. Dat is een stuwwal die in de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, is gevormd door het uit Scandinavië oprukkende landijs. Om die Heuvelrug heen is in de laatste ijstijd, 70.000 - 10.000 jaar geleden, een dik zandpakket als een deken over het toenmalige landschap neergelegd. In de Middeleeuwen werden de zandvlaktes plaatselijk weer kaal door overbeweiding met schapen. De wind kreeg weer vat op het kale, droge zand. De Lange Duinen is een restant van zo'n stuifzandgebied.

Het zand gaat stuiven als er voldoende wind is, het zand droog is en een beschermende begroeiing ontbreekt. Het zand wordt weer afgezet als de wind haar kracht verliest door obstakels in het landschap, zoals bomen of hoogten in het terrein. In de stuifheuvels en stuifdijken kan het stuifzand een aanzienlijke dikte bereiken. Soms heb je het geluk dat je even een impressie kunt krijgen van de minimale dikte van het stuifzandpakket.

> Lees meer